Introductie
Op 2 april 2026 was ik in mijn studeerkamer aan het opruimen toen ik het Friese woordenboekje van mijn opa vond. Ik dacht er niet direct veel van, maar ik moest wel denken aan de Stockholmsyndroomachtige relatie die mijn opa met Friesland en de Friese taal had. De dag erop besloot ik dat ik een nieuw verhaal wou schrijven, namelijk voor Dodenherdenking 2026 over de ervaringen van mijn opa in de Tweede Wereldoorlog. Toen pas realiseerde ik mij het, ik had het Friese woordenboekje precies zes jaar na het overlijden van mijn opa gevonden. Dit besloot ik te verbinden met dat ik de week ervoor veel ervaringen met het “engelengetal” 11 heb gehad, wat staat voor een nieuw begin. Waarop ik besloot het verhaal over intergenerationeel trauma te schrijven. Het is uiteindelijk een spookverhaal geworden met thematiek zoals epigenetica (de studie naar de invloed van het leven en de omgeving van voorouders op hun DNA-structuur), Alzheimer en passiviteit versus activiteit. Meestal verstop ik de kernboodschap van mijn verhalen achter een historische laag, in het fin de siècle (1880-1914), maar dit keer heb ik het besloten als autofictie te schrijven. Het heeft niet te ontkennen invloeden van Henry James (1843-1916), Marcel Proust (1871-1922) en Harry Mulisch (1927-2010), maar ook de Netflixserie The Haunting of Bly Manor (2020), wat een adaptatie is van Henry James’ The Turn of the Screw (1898), en een beetje het concept van liminal spaces (tussenruimtes, tussen tijd en ruimte, leven en dood). Als bedoeling ermee heb ik het delen van het oorlogstrauma van mijn opa en te laten zien dat elke vorm van trauma doorwerkt, maar dat de oplossing erin ligt hiermee vrede te nemen in plaats van het te bevechten.
Het Friese woordenboekje (2026) door Arthur Hovenkamp
Het is 2 april 2026 als ik mijn studeerkamer aan het opruimen ben en struikel over het Friese woordenboekje van mijn opa. Ik pak het boekje op. Het is in een nog zo goed als ongebruikte staat, de tiende druk uit 2004: tien jaar voordat hij Alzheimer kreeg en zestien jaar voordat hij kwam te overlijden. Vandaag precies zes jaar geleden. Hij heeft altijd veel van Friesland en het Fries gehouden, voordat hij met zijn Alzheimer taal te vergeten kwam. Ik sla het boekje open.
‘smous(e), s. voor koopman of bedrieger, ook jood.’
Mijn opa heeft als Jood de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Hij was van zijn zestiende tot eenentwintigste levensjaar ondergedoken bij een boerenfamilie in Friesland. Een familie waaraan hij zijn leven verschuldigde. Als hij niet hard genoeg werkte zou hij aan de Duitsers verklikt worden, als hij geen Fries sprak zou hij aan de Duitsers verklikt worden en als hij durfde op te komen voor zichzelf zou hij aan de Duitsers verklikt worden. Hij werkte hard, hij sprak Fries en maakte zichzelf klein. Hij overleefde de oorlog.
‘Bûter, brea en griene tsiis.’
Ik hoor beneden de brievenbus opengaan en hoor hoe er een brief over het gladde laminaat van mijn gang glijdt. Ik leg het boekje neer op mijn bureau, loop van de trap af naar beneden toe en pak de brief op. Het is niet dichtgeplakt, maar het is aan mij geadresseerd en verstuurd vanuit de Vijverhof: het verzorgingstehuis waar mijn opa in 2020 is overleden. Ik maak de brief meteen open.
Hé Arthur,
Wij moeten elkaar eens een keer weer zien.
Kom je binnenkort langs?
Liefs,
Opa
Een kille sensatie bekruipt mij en de haren op mijn armen gaan overeind staan. De brief is van mijn opa. Ik ben een bijgelovig man. Alhoewel ik dit voor mezelf hou ben ik geneigd patronen te herkennen en aanwezigheden te voelen die er niet horen te zijn. Ik ben mij bewust ervan dat deze neigingen slechts bijgelovig zijn. Toch valt de brief in mijn hand niet te ontkennen.
Moet ik wantrouwig over de oprechtheid van de brief zijn? Moet ik mijn moeder bellen en vertellen over de brief van haar vader? Of moet ik toch in het onbekende duiken en naar de Vijverhof toegaan? Ik besluit voor het laatste te gaan. Ik loop naar de Vijverhof, door het Amelterbos en Valkenstijn. Terwijl ik blijf overwegen om mijn moeder te bellen passeer ik de Vredeborgh, de Terra en de Open Hof. Ik ben er bijna.
Het verzorgingstehuis de Vijverhof heeft meerdere ingangen. Ik probeer de medewerkers, maar vooral hun vragen, te ontwijken en besluit de zijingang bij de parkeerplaats te nemen. Het is rustig, er staan slechts een paar auto’s. De deuren van de zijingang openen zich automatisch, net zoals tijdens de middag dat we de kamer van opa aan het ontruimen waren en telkens door deze deuren liepen met stoelen, dozen en kasten. Sindsdien ben ik hier niet meer geweest.
Ik druk op de knop van de lift. Ik stap naar binnen, ik laat me omgeven met het geruis van tl-buizen en de geur van ontsmettingsmiddelen. De deuren openen zich en ik kan vanuit het portaal van de liftschacht de deuren van alle kamers van de gesloten afdeling zien. Ik kon nooit onthouden wat de kamer van mijn opa nou was, maar ik zie dat er één deur op een kier staat.
Ik druk op de knop van de ingang, waarop de deur van de gesloten afdeling met een zoem opengaat en direct achter mij sluit. Ik zal een medewerker moeten aanspreken om weer naar buiten te kunnen. Ik loop door de gang met aan de linkerkant de ramen die over het bos uitkijken en aan de rechterkant de deuren van de kamers en de open ruimte van de koffiekamer. In deze kamer zitten allerlei oude mensen, elk met hun eigen verhaal, verhalen uit een verleden dat zij zijn vergeten of waar zij zich nog steeds in bevinden. Zij staren mij aan als ik langsloop.
Ik sta voor de deur en druk hem zachtjes open. Dezelfde kille sensatie bekruipt mij. Want daar zit hij, op de grijze leren stoel tegenover het bed: mijn opa. Ik voel niet zozeer angst of verdriet dan wel een gevoel van iets geschonden te hebben wat niet geschonden hoort te worden. Onze aanwezigheid is verboden.
Ik loop de kamer binnen en begroet hem, waarop hij met zijn lieve lach antwoord. Hij probeert iets te zeggen, maar net zoals vele malen in zijn demente jaren begrijp ik hem niet. Ik doe met hem mee, het voelt alsof hij het over mij heeft en ik vertel over mijzelf. Hoe ik filosofie ben ga studeren, een grote vriendengroep heb gekregen, verkiesbaar ben geweest voor de SP tijdens de gemeenteraadsverkiezingen en meer. Hij lacht breeduit, de opa die zoveel gaf om mijn intellectuele en sociale ontwikkelingen, terwijl hij moest zien hoe mijn vrienden en cijfers minder en minder werden totdat hij er door zijn Alzheimer zich niet meer druk over kon en hoefde te maken. Nog een tijdje probeer ik naar zijn lachende pogingen tot praten te luisteren, maar ik begrijp het niet. Ik loop naar de gang om mijn moeder te bellen.
In mijn omdraaien om naar de gang te gaan realiseer ik mij iets, ik ben niet meer in de Vijverhof, maar bij de voordeur in de gang van het oude huis van mijn opa. Voorzichtig keer ik mijn hoofd iets naar rechts, het schilderij hangt daar aan de muur. Het is een schilderij van een meisje dat onverschillig zijwaarts kijkt. Geschilderd in blauwtinten. Een doodsangst uit mijn kinderjaren. Ik keer mijn blik gauw vooruit en loop de hobbykamer binnen. Er is niemand, maar er is veel. Ik zie de spinnewiel waar mijn opa in de begindagen van zijn Alzheimer altijd mee bezig was en waarvan hij mij wel tien keer van begin tot eind van heeft uitgelegd hoe het werkt. Net zoals ik de oude computer zie, waar ik als kind computerspelletjes op speelde die ik net zo vaak aan mijn opa heb uitgelegd, zonder veel succes. De boekenkast zit vol met boeken en administratie, bovenop inpakpapier voor verjaardagen en Pakjesavond. Door het grote raam heen zie ik onder de carport de grote Drentse veldkei en de drie containers, maar geen auto staan.
Ik besluit de hobbykamer te verlaten en loop de gang weer in, met mijn hoofd naar rechts richting de kapstok gekeerd, om het schilderij niet te hoeven zien. Ik zie de knaapjes die nu in mijn eigen gang aan de kapstok hangen. Ook zie ik mijn favoriete sjaal met rode, gele en groene aardtintkleurige vlakken, lijkend op Portugese tegeltjes, die ik van mijn opa heb geërfd. Dit lijkt kloppend, aangezien ik recentelijk heb ontdekt dat onze Joodse voorouders vanuit Portugal als koopmannen naar Nederland zijn gekomen in de zeventiende eeuw. De sjaal neemt niet weg dat achter mijn hoofd zich een kinderschrik bevind, waarvan de onverschillige blik mij nu direct in de nek kijkt, bewust van de verboden grens die ik ben overgegaan.
Eenmaal in de woonkamer is eveneens niemand te zien. Ik zie de openruimte onder de wenteltrap, waar de telefoon staat met het telefoonnummer dat ik nog steeds uit mijn hoofd weet. In de keuken zie ik de witte tafel, met de viooltjes in bakken voor het raam met uitzicht op de carport met daarachter het pad naar het bos. Door het bos liep ik als kind elke zondag met opa, avonturentochten noemden wij het, waarbij we met stokken bewapend brandnetels en berenklauwen te lijf gingen. Aan de wand van de trap hangt mijn kindertekening die ik nog moet ophangen, van een brandweerwagen, zo heb ik vernomen, terwijl het meer op een geabstraheerde haas lijkt. In de keuken zie ik de ovenschaal die op een vis lijkt, waaraan ik altijd moet denken als ik mij ergens aan brand tijdens het koken, met het roodkleurige aardewerk. Ik loop door de groene en bruine melamine keuken heen en zie de euphorbia op de hoek van de woonkamer staan. Daarnaast is de deur naar de slaapkamer, waar nogmaals niemand te vinden is. Ik ben alleen in het huis. Aan de muur hangt het schilderij van de kerk op Vlieland, het eiland waar mijn opa geboren is. Ik heb het geërfd, maar nog steeds niet heb opgehangen. Verder zie ik de salontafel met de grote blauwe stoel, de banken, de boekenkasten en het televisiemeubel. Achter de televisie zie ik de grote tuin, die zoveel kleiner lijkt dan ik mij herinner. Ik zie de struiken waar lijsters in aan het nestelen waren. Ik zie de grote sparren achterin. Ik besluit naar boven te gaan, waarvoor ik eerst langs de kelder loop. De plek waar altijd ijsjes voor mij klaar lagen, terwijl mij nu toch vooral de wasmachine opvalt.
Onderaan de trap zie ik de luchtfotokaart van Nederland, de foto’s van alle Nederlandse vuurtorens en de lange hangende planten. Bovenaan kijk ik naar beneden, ik moet denken aan mijn kindertijd. Ik logeerde hier eens, opa had nog voorgelezen uit een kinderboek waar ik stiekem van hield, maar waar mijn moeder een hekel aan had, toen ik midden in de nacht plots wakker werd. Het was eind november, Pakjesavond kwam eraan, ik had mijn schoentje gezet, toen ik bovenaan de balustrade de onverlichte nachtelijke woonkamer in keek en twee figuren gehurkt over mijn schoentje zag staan. Ik rende de logeerkamer weer in, want Sint en Piet hoorde ik niet te zien. In de logeerkamer lag het bed er netjes opgemaakt bij, met de lege kruik bij het voeteneinde. In de grote slaapkamer staken er nog dartpijltjes in het bord. Uit het raam zag ik mijn oude opa voor me, hoe hij tot een jaar voor zijn Alzheimer nog druk aan het werk was op het schuine dak. Hij moest altijd bezig zijn, altijd voetballen en wielrennen, ducttape plakken en snoeren repareren. In de badkamer hoor ik de ventilatie zachtjes zoemen, met op de grond het badkamerkleed met nopjes.
Ik ben het hele huis door geweest, ik besluit naar beneden te gaan. Ik sta aarzelend voor de deur naar de hal, ik doe hem open en besluit in één lijn, met mijn blik naar links gekeerd, langs het schilderij direct naar de voordeur te lopen. Ik doe de voordeur open en sta buiten. Ik bekijk de veldkei links van de deur, ik moet denken hoe opa altijd in de deuropening stond te zwaaien om afscheid te nemen. Ik doe de deur dicht, maar plots rijdt er een auto de oprit op. Achter het stuur zit mijn opa. Hij stapt uit en begroet mij:
‘Hé Arthur! Lang niet gezien! Help je mij even met uitladen?’
Ik besluit opa te helpen, met de gevulde plastictassen van Super de Boer. Dat ik mij hier met hem bevind is verboden en gedrag buiten vertrouwde paden komt niet in mij op. We lopen naar binnen met de tassen, ik kijk direct naar het schilderij van het meisje. Haar onverschillige en afgewende blik is als een spiegel, ook ik oog nu onverschillig en afgewend, zonder rechtopstaande haren op mijn armen, maar met dezelfde kille sensatie als voorheen. Ik zet de tassen in de keuken neer. Erin zit biogarde, wat ik altijd met suiker als toetje kreeg, mango’s, die opa mij heeft leren snijden, plasticfolie, dat altijd aan de muur hing samen met aluminiumfolie en een keukenrol, maar natuurlijk ook English Blend thee en Engelse biscuitjes.
‘Ga jij maar alvast in de kamer zitten, dan ruim ik de boodschappen op en zet ik thee.’
Ik ga op de bank naast de televisie zitten, de VARAgids ligt op de salontafel. Ik kijk naar de boekenkast en zie de groene ruggen van de reeks encyclopedieën waar ik eens zo graag in keek. Opa zet de thee met de netgevulde koekjestrommel op tafel en gaat tegenover mij op de blauwe stoel zitten. Hij begint met praten. Niet met een onbegrijpelijke lachende uitdrukking, maar met een ernst waarmee ik hem nooit heb horen praten.
‘Je weet dat ik eens een keer bijna dood ben gegaan, hè Arthur? Ik bedoel dat verhaal uit de Oorlog, die keer dat ik ging schaatsen. Ik deed niks liever in de winter. Dan deed ik mijn versleten glij-ijzers om en gleed dan uren lang over de sloten en kanalen. Het voelde dan alsof ik vrij was.’
Op deze manier heb ik opa nooit horen praten, ook al herinner ik mij het verhaal. De kille sensatie blijft aanhouden, maar ondertussen voelt het alsof het echt kouder aan het worden is.
‘Op de boerderij moest ik hard werken, ook al was ik dankbaar dat ik daar mocht onderduiken. Toch vond ik het fijn als ik een dag vrij was, want dan kon ik schaatsen.’
Het is werkelijk kouder aan het worden, maar dat niet alleen, plots verandert de bittere geur van de Engelse thee in de geur van hooi en van mest. De geuren van een stal.
‘Zo ging ik eens een keer schaatsen en kwam ik twee Moffen tegen. Zij zagen mij, ik schaatste snel weg, want dat kon ik als de beste. Eén van hen pakte zijn geweer en schoot, maar miste. De kogel kwam in de sneeuw naast mij terecht.’
Ik kijk naar rechts, naar de boekenkast, of waar de boekenkast hoort te zijn. In plaats daarvan staat daar nu een stapel hooibalen, vastgebonden met touw. Daarnaast dekens, lakens en een kussen.
‘Ik schaatste en schaatste door en door, juist bij de boerderij vandaan. Anders zouden ze mij sowieso te pakken hebben gekregen en zou de boerenfamilie worden opgepakt.’
Plots hoor ik geschreeuw en geroep, ik kijk naar links en zie dat het raam verdwenen is, in plaats daarvan zie ik een houten plafon van een stal met een trap naar beneden toe.
‘Uiteindelijk schaatste ik, met een omweg, terug. Terug naar huis.’
‘Skraalhans!’
‘Tútel!’
‘Skriep!’
‘Liljert!’
‘Mei dyn donker hier en dyn lange noas!’
‘Moatte wy jo melde by de Dútsers?’
Ik zie mijn opa, als tienerjongen, op de grond liggen in de stal waar ik mij plots in bevind. Hij wordt belaagd door twee Friessprekende jongetjes. Ze zijn hem aan het uitschelden. Hij houdt zich sterk, onverschillig, maar het lijkt juist dat de jongetjes dit als uitdaging zien. Ik moet de jongetjes stoppen, maar ze lijken mijn aanwezigheid niet te merken. Plots gaan ze uit zichzelf weg, mijn jonge opa gaat rechtop zitten, ook hij lijkt niet te merken dat ik er ben.
Hij staat op en gaat naar beneden, ik besluit hem te volgen. Hij trekt klompen aan en loopt naar buiten, ik volg hem. Het is een zonnige lentedag. Ik zie hoe de boer bezig is met het maken van een hekwerk. Hij wenkt opa om naar hem toe te komen. Samen zie ik hoe ze de hele dag door hekken aan het maken zijn.
‘Do bist in hurdwurkjende Fries! Dyn famylje praat Westfrysk, toch?’
Opa knikt en timmert verder, maar door de afleiding slaat hij een spijker krom en raakt hij de hand van de boer. De boer schreeuwt, gooit het onafgemaakte hekwerk op de grond en geeft opa een klap.
‘Jo binne hielendal gjin Fries!’
‘Smouse!’
Opa rent weg, naar de stal toe. Hij verwisselt zijn klompen voor zijn schaatsen en rent weer naar buiten. Het is een schemerende lentedag. Opa besluit te gaan schaatsen, ik volg hem. Hij schaatst inderdaad snel, maar ik hou hem bij. Zo gaat er ongeveer een halfuur voorbij als er plots een motor met zijspant langsrijdt. Erin zitten twee Duitse soldaten met hun helmen, geweren en winteruniform.
‘Halt! Verdammte Axt! Sieht du den Jungen nicht?‘
‘Halt! Stehenbleiben! Junge, was hast du hier zu suchen?’
Opa kijkt geschrokken naar de motor die naast het kanaal stopt en duikt door het riet een sloot in. Hij raast zich weg, maar ik zie hoe een soldaat zijn geweer trekt en een schot lost. De kille sensatie smelt samen met een stekende pijn, het schot heeft mij geraakt. Ik val neer en zie dat er bloed gutst uit een open wond in mijn zij.
‘Smouse!’
Boven mij staat de boer te brullen, de boer die mijn opa als slaaf hield. Ik lig te bloeden, onder zijn geraas. Ik ben alleen, op een plek en in een tijd wat niet hoort te zijn. Wat niet meer hoort te zijn. Waar ik niet hoor te zijn.
‘Hou op! Laat mij met rust!’
Ik zie opa door het riet via de sloot wegvluchten op zijn schaatsen. Plots ben ik weer in de stal, dit keer op de grond in plaats van opa. De jongentjes staan om mij heen.
‘Skraalhans! Tútel! Skriep! Liljert!’
De jongetjes staan mij nu te belagen. Ik trap een van hen tegen zijn schenen aan, hij valt neer, ik sta op en sla hem met mijn vuist in zijn gezicht. Alleen, het is mijn opa, mijn oude opa, die ik aan het slaan ben. Ik deins terug en val achterover van de zolder af, bloed gutst uit mijn zij. Ik sta weer aan de kant van het kanaal, met een heleboel andere mensen sta ik daar te juichen terwijl vermoeiduitziende schaatsers langsrazen. Het is de Elfstedentocht. Ik kijk links van mij, ik zie mijn opa. Hij staat te juichen en hij roept:
‘Skate! Flugger! Noch efkes fierder en jo binne thús!’
Er rijdt een motor achter ons langs, ik kijk verschrikt om. Het blijkt een ondersteuningsteam te zijn voor de schaatsers, met een cameraman in de zijspan. Opa kijkt mij aan, hij merkt dat ik er ben.
‘Prachtich, is it net? De Alve Stêden Toer?’
In zijn blik herken ik mijn eigen blik, hij moet nu ongeveer zo oud zijn als ik ben. Ik zie zijn glimlach heen mijn eigen blik. Oppervlakkig gezien onverschillig, maar in werkelijkheid beschadigd. Een werkelijkheid waarvan hij tot zijn dood weg is blijven schaatsen. Ik doe met medelijden mijn ogen dicht.
Mijn hand wordt vastgegrepen, het is mijn oude opa. We staan op het ijs van de vijver in het Asserbos.
‘Schaats dan! Linkerbeen, rechterbeen, linkerbeen, rechterbeen.’
‘Toe dan!’
Hij laat mij los en ik val achterover. Ik kon niet schaatsen als kind en kan het als man nog steeds niet. Opa helpt mij omhoog.
‘Toe dan!’
Nogmaals val ik achterover, met de gutsende wond in mijn zij. Opa helpt mij overeind, maar ik val direct weer. Hij is boos.
‘Godverdomme!’
‘Schaats dan! Alsof je leven er vanaf hangt!’
Ik hou het niet uit. Er stroomt bloed uit mijn lichaam en tranen uit mijn ogen. Ik knijp mijn ogen dicht en lig huilend op de grond. Dit is verboden, dit hoort niet. Ik open mijn ogen weer en lig in de hoogslaper in mijn kinderkamer. Het grote licht brandt nog.
‘Arthur, je weet dat ik van je hou toch?’
Het is Piet. Een man waar ik doodsbang voor was en ben. Hij kwam toen ik in de brugklas zat als ongewilde stiefvader een zomer lang in mijn leven. Ik hoor Piet niet te zien. Ik beantwoord zijn vraag niet, want ik ben bang voor hem. Hij begint te huilen.
‘Het spijt me zo erg dat ik je vader niet ben.’
Het huilen van Piet begint in een vorm van woede te veranderen. Ik zie hoe mijn moeder nu ook in de deuropening staat.
‘Je weet dat ik van je hou toch?’
Ik blijf stil, ik wil geen antwoord geven. De waarheid spreken zou zijn woede vergroten, terwijl ik door te liegen mezelf zou verloochenen.
‘Antwoord nou eens!’
Ik lach, eventjes maar, maar genoeg om er spijt van te krijgen. De woede van Piet verdwijnt, zijn verdriet krijgt een vorm van ontroering.
‘Zie je dat Willeke? Jouw zoon houdt van mij!’
Ik walg van de woorden die hij spreekt, ik stop mijn hoofd onder de dekens. Als ik de dekens even later weer van mijn hoofd haal zit ik in de auto, met mijn moeder en Piet stoppen wij langs de weg bij Sneek. We zijn naar het kampioenschap Skûtsjesilen aan het kijken, ik zie de lange masten van de schepen aan de horizon. Piet glundert als een kind, mijn moeder lacht breeduit, ikzelf ben onverschillig. Piet kijkt mij aan. In hem herken in de boer.
‘Jo binne hielendal gjin Fries!’
Ik stap de auto uit zodra mijn moeder parkeert, waarna ik op het ijs van het kanaal aan het schaatsen ben. Een motor met zijspan nadert, met twee Duitse soldaten erin.
‘Junge, halt!’
Ik probeer door te schaatsen, maar ik val neer. Ik kijk snel om en zie dat de motor nu een camera in de zijspan heeft. Ik zie mijn opa die roept.
‘Skate! Flugger!’
Ik wil opstaan, maar ik val toch weer. Bloed blijft uit mij zij gutsen, mijn lichaam is op. Ik kan niet meer, ik kan niet meer vluchten. Opa staat naast me, het is winter, we zijn weer op de vijver in het Asserbos. Hij houdt mij vast.
‘Schaats dan!’
‘Nee opa! Ik kan niet schaatsen en ik wil niet schaatsen!’
Hij kijkt mij verdrietig aan, hij blijft mij vasthouden.
‘Dat is goed. Laten we naar huis gaan.’
We gaan voorzichtig naar de kant van de vijver en we doen onze schaatsen uit. Ik sta in de hal van de Boskamp, het rouwcentrum waar mijn opa lag opgebaard en is gecremeerd. Het is stil, er is niemand. Het ruikt scherp, het licht is fel. Voor mij zie ik de oranje deuren van de kamers waar dode mensen liggen opgebaard, elk met hun eigen verhaal, verhalen die in ons voortbestaan.
Eén deur is op een kier, ik besluit de deur zachtjes open te drukken. De kille sensatie verlaat mijn lichaam, de haren op mijn armen komen tot rust. Daar ligt mijn opa. Hij heeft een ingevallen gezicht, zijn eens sterke schouders laten kwetsbaarheid zien. Zijn huid is bleek en doorzichtig. Zijn gezicht laat geen verdriet, geen woede, geen blijdschap en geen onverschilligheid zien. Ik ruik de geur van parfum, goudgeel licht valt door de gordijnen zachtjes de kamer binnen. Ik begin te huilen, in volste kwetsbaarheid. Opa is dood.
Ik ben terug in mijn studeerkamer, met het Friese woordenboekje in mijn handen. Het is precies zes jaar na de dood van mijn opa. Ik voel een pijn in mijn zij. Geen verboden pijn, maar een pijn die er mag zijn. Ik leg het boekje in de boekenkast.