De buurtkat (2026) van Arthur Hovenkamp
De straten van het buurtje zijn leeg, de winter is begonnen. Vanuit het noordwesten waait de wind. Hij blaast alles naar het oosten toe, naar het Amelterbos. Daar, tegen de rubberen schermen aan, liggen dorre bladeren van de eens groene bomen, hout uit de eens gezellige tuinen en textiel uit de eens bewoonde huizen.
De straten zijn leeg, de huizen zijn leeg.
Tussen de rustende blokken van de Henriëtte Ronner- en de Tooropstraat echoot een geluid, het galmende gemiauw van de buurtkat Woezel. Ze sjokt langzaam, met haar roze halsbandje, door de straten. Met de wind mee gaat zij naar het oosten toe.
Ze miauwt op de plek waar ooit een papegaai met regelmaat floot, maar behalve haar gemiauw is er geen geluid te horen. Slechts een windvlaag doorbreekt de stilte, die spookachtig tegen het tweede blok aan giert.
Ze loopt verder door de Henriëtte Ronnerstraat, waar met deuren heen en weer werd gerend en met auto’s en scooters werd geracet. Nu zijn de straten volledig leeg, zonder auto’s erop en met slechts skeletten van bomen erboven.
Ze is op zoek naar de mensen die haar voerden, liefkoosden en onderdak boden. Ze kan niemand vinden, iedereen is enkele maanden terug verhuisd. De bewolkte lucht geeft alles een doffe tint.
Ze besluit te gaan liggen, op de koude stenen. Eerder, zodra er een bekende stem met een bekend gezicht langskwam, liep zij met een luide miauw mee. Er zijn geen vertrouwde gezichten meer, slechts de aanzichten van de rustende huizen.
Woezel gaat tussen het tweede en derde blok door, waar eens Podium Pluis was, naar de Tooropstraat. Ze is op haar hoede, want zij is hier vaak andere katten tegengekomen.
Er zijn geen katten en geen mensen te vinden, alleen de wind die waait. Hij blaast over de twee blokken van de Roessinghstraat, of waar eens de twee blokken waren. Er zijn slechts kale stenen te vinden.
Er is hier geen thuis meer te vinden, alleen maar huizen. En ook dat niet meer voor lang.
Woezel besluit nog een keer galmend te miauwen. Nog één keer krijgt zij geen antwoord. De deuren en ramen blijven dicht. Ze baant zich een weg tussen de machines en door de stalen hekken. Tegen de kille wind in sprint zij over de Lonerstraat.