Het Herenhuis II (2026) van Arthur Hovenkamp
De sfeer, het mysterie van de situatie, het interieur en de kunstcollectie, het herenhuis zelf, maar ook zeker het figuur meneer Alius, brengen mij allemaal tezamen tot één vraag.
“Wat is de geschiedenis van het huis precies?”
Meneer Alius begint te glunderen, hij heeft overduidelijk veel te vertellen. Hij strekt zich uit, leunt achterover in zijn favoriete fauteuil, met zijn handen gevouwen op zijn borst, en begint enthousiast te vertellen.
“Er kleeft inderdaad een geschiedenis aan dit huis, nauw ermee verbonden is het tragische lot van de familie Ipser, maar daar kom ik straks op! Het huis werd in de negentiende eeuw gebouwd, in opdracht van het Franse patriciërsgeslacht Eissâment. Zij waren gedurende de Frans-Bataafse tijd naar Assen gekomen, afkomstig uit de Provence. Zoals velen aan het einde van de achttiende eeuw, gegrepen door de romantiek van liberté, egalité en fraternité, wisten zij het, vanuit de burgerij, tot het patriciaat van de negentiende eeuw te schoppen. Ze kregen een belangrijke positie in het bestuur van eerst het departement Drenthe en na 1810 het departement Ems-Occidental, waartoe, zoals u vast wel weet, Drenthe toe was gaan behoren. Mijn excuses, mijn heer de schrijver, hopelijk volgt u mij nog?”
Er verschijnt een frons in het gezicht van meneer Alius, na het opnoemen van geschiedkundige details. Zijn schichtige blik getuigd van dissociatie. Ik besluit hem bevestiging te geven en knik met een handgebaar dat hij vooral verder moet gaan.
“Het herenhuis van de familie Eissâment was in 1812 af, nadat het Koninkrijk van Holland geannexeerd was door het Eerste Franse Keizerrijk en koning Lodewijk Napoleon als landvoogd plaatsmaakte voor zijn keizerlijke broer. Gedurende deze periode bleef de familie Eissâment actief in Assen, maar beetje bij beetje namen zij neventaken in Den Haag op zich, om met het tot stand komen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 voor goed naar Den haag te vertrekken. Toch bleven zij in de zomermaanden terugkeren naar hun herenhuis aan de Vaart in Assen. Nu zijn we beland bij de familie Ipser, want in 1822 werd de heer Ipser geboren, niet in Assen, maar ook in Den Haag. Zijn vader was een koopman met overzeese contacten, waardoor hij op jonge leeftijd bekend werd met de wereldhandel en al fors bezig was met investeren. Dit deed het door te speculeren in aandelen en interesse in wetenschap en theater. Zijn grootste succes was te hebben gespeculeerd in de staalindustrie van Amerika en Groot-Brittannië, want voor hem was het een zekerheid: er stond een tijdperk van staal te beginnen. Waarin hij overduidelijk gelijk heeft gekregen. Hij wist voor zijn dertigste levensjaar een welvermogend man te worden. Omwille van zijn vermogen en verdere ambitie was hij in 1848 van plan om naar New York te verhuizen, maar iets deed hem van zijn plan afwijken. Zijn huis in Amsterdam stond al in de verkoop, toen hij de toekomstige mevrouw Ipser ontmoette: de wonderschone dochter van de familie Eissâment. De heer Ipser werd op slag verliefd. In1852 trouwden ze en gingen ze samen wonen in het herenhuis aan de Vaart in Assen. Hier kreeg de heer Ipser een baan aangeboden, in de financiële afdeling van het bestuur van de provincie Drenthe. In nog hetzelfde jaar beviel mevrouw Ipser van een tweeling, een zoon en een dochter, hun enige twee kinderen: Mirte en Louis Ipser. Wilt u nog thee?”
De vraag om thee brengt mij van mijn apropos, al enige tijd ben ik het lege theekopje in mijn hand rond en rond aan het draaien, in mijn geconcentreerde luisteren naar het verhaal. Meneer Alius kijkt nogmaals met dezelfde schichtige blik, hij had het kopjesgedraai vast opgevat als teken van desinteresse.
“Oh nee, meneer, ik zit wel even goed. Wel bedankt, natuurlijk. Gaat u gerust verder.”
“Het is hier wel wat beklemmend binnen, niet waar? Zullen we het gesprek anders buiten vervolgen?”
“Dat is een goed idee.”
Hij staat op en zet de theekopjes op het dienblad, naast de driekwartvolle theepot.
“Laat me u dan helpen, ik kan het dienblad wel terugbrengen naar de keuken.”
“Nee, blijft u maar rustig wachten, mijn heer de schrijver, daar sta ik op! Want ik ben nu toch al opgestaan, ziet u?”
Hij loopt met de langzame pas van een oude man rinkelend de hal weer in, naar de keuken toe. Ik besluit op te staan en loop naar het groezelige raam. Met de nagel van mijn wijsvinger krab ik een deel van het grauwbeige sediment van het raam af. Aan de zijkant, buiten het zicht vanuit de kamer, waarvoor ik het zware fluwelen donkersmaragdgroene gordijn een stukje aan de kant duw. Ik zie een uitgestrekte tuin, verwilderd maar in bloei. Aan de linkerkant loopt een pad naar een sloot achterin de tuin toe. Rechts van het pad, dichter bij het huis dan bij de sloot, ligt een vijver, met witroze waterlelies in bloei. Daar weer rechts van, tegen het huis aan, is een uitbouw te zien bestaande uit de ruïne van een schuur en een orangerie, met door het glazen dak heen de takken van een witbloeiende mirteboom. De tuin heeft eens een Victoriaanse glorie gekend, maar de natuur, alhoewel ten dele geïmporteerd, heeft het heft lang geleden weer in handen gekregen en voor lange tijd weten te houden. Ik loop weer terug naar de bank, ik merk dat ik mijn schoudertas nog steeds om heb en mijn jas niet heb uitgedaan. Ik leg de tas op de bank, haal mijn notitieboek en een pen eruit en leg deze op de salontafel. Ik loop de hal weer in, zoekend naar een kapstok. Tegenover de deur naar de woonkamer zie ik een andere deur. Er klinkt het klotsen van water en het kletteren van servies. Meneer Alius is aan het afwassen. Ik loop door de hal, langs de spiegel en het trappenhuis, met de bekende gezichten voor meneer Alius om me heen. Boven mijn van hem gekregen schilderij vind ik eindelijk een kapstok, waaraan ik mijn jas ophang. De deur van de keuken gaat achter mij gaat open, ik draai me om.
“Ah, meneer de schrijver! Ik dacht even dat u weg zou gaan, maar u hebt gelijk! Het is te warm voor een jas!”
“U heeft gelijk. Bent u gereed?”
“Zo goed als, ik droog alleen nog even af en breng het servies terug naar de servieskast. Als u mij excuseert!”
Meneer Alius gaat terug de keuken in, ik besluit hem voor te gaan en mijn notitieboek uit de woonkamer te halen en alvast een aantal notities te maken. Enkele feiten over hem, zijn naam, zijn geschatte leeftijd, beroep, beschrijving van zijn huis en een korte samenvatting van het verhaal tot dusver. Het gerinkel keert terug, hij loopt de hal weer door, komt de kamer weer in, zet het dienblad op de salontafel en zet de kopjes en de theepot in de servieskast, het zilverwaar in de zilverkist ernaast.
“Ik moet u wel alvast waarschuwen, mij heer de schrijver. Ik krijg de achterdeur al enige tijd niet open! Oude spieren ziet u? Met uw jonge lichaam moet het u daarentegen wel lukken!”
We lopen naar de achterdeur, direct naast de deur naar de woonkamer vanuit de hal. De deur heeft geen raam. Ik duw de deurklink omlaag, daaraan kan het niet liggen. Er komt beweging in de deur als ik druk, maar iets laat het niet verder overgaan. Ik druk met mijn volle gewicht ertegenaan, de deur schiet los en ik val door de deuropening heen op een harde stenen bodem bedekt met gruis. De warme lentezon, zoetgeurend bloesem, het sjirpende geluid van insecten en de harde onverwachte val prikkelen mijn zintuigen. Ik zie het afgebrokkelde stuk van de gevel dat voor de deur was beland, de te hoge coniferen die de zijkanten van de tuin begrenzen en de in de natte bodem weggezakte fontein in de vijver.
“Ach, mijn excuses mijn heer de schrijver! Hopelijk heeft u zich niet bezeerd?”
“Maakt u zich geen zorgen. Het valt mee.”
Zonder mij omhoog te helpen loopt de bezorgde meneer Alius verder het pad op. Overdekt door de takken van de coniferen besluit ik hem te volgen.
“Als kinderen speelden Mirte en Louis Ipser in deze tuin. Verstoppertje, dat vooral. Het gezin waar zij in geboren waren was behaaglijk. De heer Ipser was vrijwel altijd aan het werk, maar mevrouw Ipser hield regelmatig feestjes voor stadsgenoten en leeftijdsgenoten van haar kinderen in de tuin. Dan namen Mirte en Louis hen allemaal op sleeptouw: jongeheren en jongedames, volgt u ons maar! De tweeling was een absolute eenheid, ze waren altijd bij elkaar, ook al waren ze niet precies hetzelfde. Mirte was op vroege leeftijd ontzettend al zorgzaam van aard, als zij zag dan één van hun vriendjes of vriendinnetjes niet helemaal meekwam ontfermde zij zich over hem of haar. Het lukte haar altijd om iedereen de dag van hun leven te bezorgen. Louis was ondertussen vooral bezig spelletjes te organiseren en verhalen te vertellen, waardoor het gezelschap zich in betoverende werelden kon verliezen. Alhoewel, hoe ouder ze werden des te beperkter bleken de conifeerlijke contreien van de tuin. Zo was er een dag, Mirte en Louis waren negen jaar oud, dat de twee met een groep van tien andere kinderen naar het Asserbos gingen. Hier mochten zij natuurlijk niet naartoe, over de Wittebrug, langs de gevaarlijke pas geopende gasfabriek, maar daar trok het gezelschap zich niks van aan. Het maakte het een des te groter avontuur. Mirte had een grote rieten mand met brood, kaas, boter, een karaf met kersensiroop en veel te mooi bestek en serviesgoed meegenomen, dat het gezelschap gezamenlijk tilde, met Louis vooraan. Hier hebben zij van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat gespeeld. Louis vertelde hen hoe zij zich bevonden in de middeleeuwen, dat de hut die zij aan het bouwen waren het hof van koning Arthur was. Hijzelf als koning, Mirte als koningin Gwenevere, een vriendje van hen als ridder Lancelot. Hij wist Gwenevere te verlijden, waardoor Arthur de dood vond in een tweekamp met Lancelot en Louis de verteller kon gaan uithangen. De rest van de vriendjes en vriendinnetjes waren ridders van de ronde tafel, hun vriendinnetjes nochtans liever hofdames. Alhoewel Louis de fantasie werkelijk maakte was Mirte minstens net zo belangrijk, zonder haar zou de groep geen aandacht houden of zouden zij al snel teruggegaan zijn door honger en dorst. Mirte en Louis waren een eenheid. Ze waren anders, maar vulden elkaar aan.”
We staan bij de sloot. Het is bedekt met een laag eendenkroos, alsof je erop kan lopen. Onder de schaduw van de coniferen, de beuken en de eiken loopt het als een pasgemaaid graspad door. Toegang biedend tot tientallen andere fantastische paleizen, elk met hun eigen geschiedenis eraan klevende. We lopen terug.
“Eenmaal thuis waren er allerlei bezorgde ouders te vinden, ze werden boos op Louis, die zichzelf als leider van de groep opstelde. Mirte besloot verantwoordelijk naast hem te staan. Vader kwam thuis van het provinciehuis, moeder vertelde het verhaal van de verdwijning en de angstvallige uren. Hij stelde zich onverschillig tegenover moeder. Dit vond Louis lastig, zelfs als zijn vader aanwezig was bleef hij afwezig, terwijl juist een zoon zoals hij aandacht van zijn vader zoekt. Toch wist Mirte hem altijd weer gerust te stellen, zoals met verstoppertje.”
We hebben rustig door te tuin gelopen, maar nu zijn we, om de vijver, langs de sloot en terug richting het huis, bijna bij de schuur beland. De schuur is overwoekerd met klimplanten, amper meer een schuur te noemen. Met klimop wat erdoorheen bij de muren van het huis omhoog groeit. Tegen de orangerie aan staat een bankje, van gerodeerd steen, beslagen met algen, maar droog genoeg om op te zitten dankzij de lentezon. Er hangt de geur van eucalyptus en rozemarijn in de lucht, afkomstig van de witbloeiende takken boven ons. De lucht en de sfeer buiten is fris, in tegenstelling tot de overprikkeling en beklemming binnen. Meneer Alius lijkt te twijfelen of hij verder wilt gaan met het verhaal
“Hopelijk verveel ik u niet, mijn heer de schrijver, met mijn monoloog?”
“Nee, zeker niet meneer. Ik luister graag wat u te vertellen heeft.”
“Fijn, dan ga ik verder! Vader was Louis vaak tot last, juist door zijn eeuwige afwezigheid. Mirte wist echter heel goed hoe zij dit doorbreken kon. Namelijk met een spel zoals verstoppertje, zoals ik net al noemde. Eerst was Louis aan de beurt om te zoeken, dan zocht en zocht hij, één met zijn zintuigen, zijn ogen en zijn oren, door het huis heen. Eén en al aandacht voor de wereld buiten zich en blind voor het gepieker in zijn hoofd. Hij vond Mirte, achter de woonkamerdeur die altijd open stond. Ze omhelsden elkaar met enthousiast gelach. Hierop was Mirte aan de buurt om te zoeken, waarop Louis besloot vals te gaan spelen. Hij verliet zachtjes het huis, de achterdeur stond in de lente en de zomer toch altijd open, en ging, terwijl Mirte nog aan het aftellen was, de schuur in. Hier verstopte hij zich in de wandkast, tegen het herenhuis aan. Ook hier bleef Louis uit zijn hoofd, doordat hij, vol in spanning, elk klein geluidje bemerkte. Hij hoorde dat, wonder boven wonder, Mirte leek te weten dat hij buiten was. Het duurde niet lang, of hij hoorde de deur van de schuur opengaan en mirte hem in de wandkast vond. Zo ging het meermaals, Louis voelde zich er altijd beter door. Toch loste dit niet alles op, vooral toen hij niet meer elke ochtend, middag en avond met Mirte samen was, maar dat hij naar de Rijks Hogere Burgerschool en Mirte naar de Franse School moesten en gingen. De tweeling bleef een eenheid, maar toch kwam er bij Louis de steeds sterkere behoefte aan bevestiging van zijn vader. Hier verzonnen Louis en Mirte iets op. Hun vader hield vooral van zijn werk, maar daarnaast ook erg van theater. Louis en Mirte besloten zelf een poppenspel te maken. Samen kozen ze een sprookje van Charles Perrault uit, namelijk Barbe-bleue. Louis schreef het script en bedacht het decor, Mirte naaide de poppen, bedacht de choreografie en bouwde het decor, vriendjes en vriendinnetjes hielpen met timmeren en schilderen. In de winter van 1864, na drie maanden eraan te hebben gewerkt, wat moeilijk was naast de drukte van hun eerste studiejaar, was het poppenspel klaar. Mirte en Louis zouden het voordragen, aan hun vader en moeder na het avondeten. Hun vriendjes en vriendinnetjes, die de repetities hadden bijgewoond, vonden het stuk nogal eng. Vader zag er de hele dag overduidelijk tegenop. Hij zei altijd dat hij wel wist dat zijn zoon en dochter getalenteerd waren, dat hij er niets van hoefde te zien om hierin te geloven. Moeder forceerde hem ervoor te gaan zitten, het toneelstuk begon.”
Meneer Alius staat van het bankje op en gaat voor mij staan.
“Er was eens een man met vele huizen in stad en land, huizen gevuld met goud- en zilverwaar. Toch was deze man ongelukkig, want hij was geboren met een blauwe baard. Blauwbaard was dan ook zijn naam. De meisjes en vrouwen in zijn leven ontliepen hem allemaal, want zij vreesden deze weerzinwekkend lelijke vent. Hij wist, met uithuwelijkingen, meermaals dames te schaken, maar zij verdwenen allemaal in een korte tijd. Hierop besloot hij, met een gezelschap van heren en dames, een weeklang in een zomerhuis te vertoeven. Mijn excuses mijn heer de schrijver, dat ik even onderbreek, maar dit is niet hoe het stuk ging. Mirte en Louis waren constant in tweelingmonoloog, terwijl zij de poppen lieten spreken. Alleen, voor het gemak, vertel ik u puur het narratief. Blauwbaard liet hen feesten, jagen, dansen en dat alles nog een keer, voor een week lang. Hierop zag een jongedame van het gezelschap in dat het blauw van de baard van Blauwbaard helemaal niet zo’n probleem was. De affectie tussen de twee groeide. Na een week vol feest, jacht en dans waren de twee aan elkaar beloofd, nog een week later waren ze getrouwd. Hij gaf haar de sleutels van al zijn huizen, alleen mocht zij niet in één van de kamers komen. Nimmer nooit. Nogmaals, mijn excuses mijn heer de schrijver, ik stop liever met het narratief. Laten we liever over andere dingen spreken, waarna ik graag vervolg met wat er tijdens en na het poppenspel met Mirte en Louis gebeurde.”
“U hoeft zich niet steeds zo te verontschuldigen. Nogmaals, ik luister graag naar u. In elk geval, laten we het over iets anders hebben.”
Voor de zoveelste keer ziet meneer Alius er onzeker en dissociatief uit. Hij loopt weg, ik besluit hem te volgen. Met zijn handen in zijn rug, friemelend aan een zijden band dat zijn kamerjas dichthoudt, loopt hij naar de vijver toe. Er staat nog eenzelfde bankje, met de rug naar het huis, waarop ik, besluit te gaan zitten. Hij komt naast mij zitten.
“Laat ik toch het verhaal maar vervolgen, als u het niet erg vind, wat u niet vind, als ik u mag geloven, mijn heer de schrijver. Waarmee ik niet provocerend over probeer te komen, mijn excuses als dit wel het effect is, wat vast niet zo is, als ik u mag geloven. Ah fijn, laat ik verder gaan! Tijdens het toneelstuk, vooral de scènes waar zo’n lelijke vent als Blauwbaard toch een succes van zichzelf wist te maken, moest vader bulderend lachen. Hier werd Louis trots van, waardoor het stuk beter en beter ging. Hele carrières als artiest suisden door zijn hoofd. De climax kwam, de jongedame erfde alle huizen en al het goud- en zilverwaar van Blauwbaard, waarop vader opstond en wegliep. Louis schrok, hij wist toch zeker dat vader het stuk op prijs stelde. Zelfs moeder, meestal passief naar de afwezigheid van vader, werd boos en liep achter hem aan. Er klonk geschreeuw, moeder en vader kregen ruzie. Hij moest gauw naar het provinciehuis gaan, op deze winteravond. Althans was zijn excuus. Louis hield het niet uit, de muren van het huis kwamen naar hem toe. Mirte kwam op het idee kwam om in de tuin verstoppertje te gaan spelen. Het was buiten veel te koud, maar ze deden dikke jassen, sjaals en wanten aan. Louis was aan de beurt, hij zou Mirte moeten gaan zoeken en vinden. Het hielp inderdaad, Louis ging weer helemaal op in het zoeken, maar vinden deed hij niet. Eerst keek hij achter een aantal bomen. Toen, omdat hij daar al vanuit ging, keek hij in de schuur, maar de wandkast kreeg hij niet open. Eenmaal buiten gleed hij uit, in de nacht van de tuin, over het ijs van de vijver. Hij besloot binnen te gaan zoeken, waar hij Mirte ook niet vond. Alleen zijn ruziënde ouders. Hij sprak hen aan, vertelde dat hij zijn zus niet kon vinden nadat ze buiten verstoppertje aan het spelen waren. Vader riep dat er een winterstorm aankwam.”
Meneer Alius neemt een lange adempauze. Zijn stem begint te hakkelen.
“De buren werden ingeschakeld, ook de dienders, veld- en boswachters, maar Mirte konden zij nergens vinden. Louis werd naar bed gestuurd, waar hij helemaal alleen niet kon slapen en tot diep in de nacht boven aan de trap verstopt bleef toekijken en afluisteren. Hij hoorde hoe moeder zei dat vader in de schuur moest kijken, waarop vader boos werd en zei dat hij daar al meermaals gekeken had. Moeder werd hierop boos, erop aandringende dat hij nog eens moest kijken. Hierop kreeg zij een hengst en werd labiel genoemd door vader, terwijl Louis toekeek. Moeder zag hem en keek hem met medelijden aan. Zij stopte hem in, vertelde dat vader het niet zo bedoelde. Zij ging naar bed, vader bleef de hele nacht wachthouden bij de voordeur en achterdeur. De volgende ochtend vond moeder hem, met drie lege flessen jenever. Louis kon niet slapen, door de huilende windvlagen van de winterstorm, waarin hij zeker was het ijzige gekrijs van zijn tweelingzus te horen. Mijn heer de schrijver, ik heb het koud. Zullen we naar binnen toe?”
Meneer Alius is overduidelijk emotioneel geworden, ik laat hem zichzelf bij elkaar pakken. We staan voor de vijver naar de waterlelies te kijken en naar de zwavelgeur van rotting te ruiken. Even later lopen we weer naar binnen toe. Meneer Alius is enigszins tot rust gekomen, maar we blijven stil. We lopen door de hal, langs de kunstwerken, en gaan het trappenhuis in. De geur van wierook, parfum en vernis lijkt langs de muren vanaf de bovenverdiepingen naar beneden te stromen. Aan de muren hangen nog meer kunstwerken. Een onbekende ingelijste prent, waarschijnlijk van William Morris, herkenbaar aan zijn sprookjesachtige stijl, valt mij speciaal op. Het is van een liggende vrouw, met een lange bloedrode jurk en een treurig gelaat, gelegen tussen de waterlelies. Ze is één met het roestkleurige water. De slagen van een slingerklok galmen als een hartslag door de trappenhuis. De tijd en datum komen exact overeen met mijn horloge. We lopen de trap langzaam op.