Het walnotenijsje (2026) van Arthur Hovenkamp
Ik ben aan het spelen bij de Ballorig op de eerste verdieping van de Vanderveen. Ik ben samen met iemand, ik weet niet precies met wie. Klimmend door het rood, blauw, geel, groene kussenlandschap banen we ons een weg.
We zijn ergens naar op zoek, ook al weet ik niet naar wat. Het wordt vast duidelijk als we het gevonden hebben.
Kruipen is lastig door de lange gangen, onder en boven gekleurde kussens waardoor we niet kunnen staan en aan de zijkanten zwarte netten waardoor we niet oneindig kilometer naar beneden vallen.
Het ruikt zoetmuf.
Mijn knieën worden warm van het schurende kruipen en plots voel ik een stekende pijn.
Mijn linkerknie bloedt.
“Arthur! We hebben een ijsje voor je!”, roepen mijn ouders.
Ik wil graag een ijsje, maar nu nog niet. Ik ben op zoek naar iets met iemand.
Ik besluit geen antwoord te geven, ze kunnen hier toch niet komen.
We beklimmen een muur van verkleurd rood, opgeblazen kunststof door ons aan een ontrafeld touw omhoog te trekken. Ik val meermaals opzettelijk en per ongeluk voordat het mij lukt.
We zijn in een cilindervormig ruimteschip op de buitenspeelplaats van de Ballorig beland. De ronde ramen zijn dof, aan het uiteinde is licht te zien.
In het ruimteschip is het erg warm.
Mijn knieën worden warmer en warmer tot ik plots weer een stekende pijn voel.
Mijn beide knieën zijn aan het bloeden.
“Arthur! Als je nu niet komt moet je zelf een ijsje halen! Bij de draak!”.
Ik besluit dat het tijd voor een ijsje is. Ik ben toch alleen en besluit de glijbaan naar beneden te nemen. Het piept en piept en ik val in de ballenbak. Er vliegen rood, blauw, geel, groene ballen in het rond.
Ze vallen het kussenlandschap uit.
Ik ben vast niet alleen in de ballenbak.
Langs de botsauto’s loop ik naar het restaurant toe.
Ik kan mijn ouders niet vinden.
De draak wenkt vanuit de liftschacht dat ik naar haar toe moet komen. Ik besluit erop in te gaan, waarvoor ik over de glazen platen heen moet. Onder mij zie ik een afgrond van oneindig keer oneindig kilometers diep.
Ze haat mij.
Laatst moest ik voor straf blijven zitten bij de ingang terwijl iedereen aan het buitenspelen was. Ik wou al mijn vriendjes en vriendinnetjes meenemen naar het verboden bos. Het zoontje van de draak had ons verklikt. Bij de ingang strekte ik mijn benen uit om hem te laten struikelen. Hij viel en ging hard huilen in de armen van zijn moeder. Ik kon niet anders. Hij is dik en dom, een klikspaan en een moederskindje. Hij verdiende het.
“Wat voor ijsje wil je Arthur?”, vraagt de draak.
Ik reageer niet op haar. Ze haat mij en ik haat haar én haar zoontje.
“Kies nou!”
Ik negeer haar. Ze moet dood en rotten.
Mijn ouders komen er eindelijk aan.
“Je moet kiezen Arthur, we hebben de draak al betaald! Je was te laat!”
Ze hebben mij verraden.
Ik heb geen keus, ik moet kiezen. De smaken die de draak heeft zijn allemaal smerig. Het walnotenijsje is slechts vies.
“Wil je een walnotenijsje?”, vraagt de draak.
Ze moet mij met rust laten.
“Ja hoor.”, antwoord ik.
Ik kijk naar mijn ouders.
“Ja!”, zeggen zij in koor.
De draak maakt bewegingen en geeft mij het walnotenijsje aan.
We waren walnoten aan het zoeken bij de Zonnereep. Ik weet nog steeds niet samen met wie. Ik ben nog een keer verraden.
“Eet smakelijk!”, roept en lacht de rottende draak.
Ik bekijk het ijsje. Het is een beige softijsje in een oubliehoorn. Het ziet er verkeerd uit. Maar klagen heeft geen zin, ik moet het ijsje opeten. Ik neem een lik.
Alles begint te verfrommelen, met elke lik en hap die ik neem. Eerst mijn mond, daarna mijn neus en ogen, mijn gezicht en mijn lichaam, de draak en mijn ouders, de kinderen en volwassenen om mij heen. Zelfs de liftschacht en glazen vloer.
Gelukkig zitten we in de kreukels van het gebouw, anders viel iedereen naar beneden.
We zitten dicht op elkaar gekreukeld. Hierdoor weet ik eindelijk met wie ik walnoten aan het zoeken was. Het was Klem, net zoals de klemmen waarmee we dekens vastmaken aan stoelen om kastelen te bouwen.
Hij heet geen Klem volgens mijn ouders, maar ik weet dat het wel zo is.
Alles verfrommeld, ook Klem en de klemmen, de dekens en stoelen.
Als ik het ijsje eindelijk op heb houdt het verfrommelen op. Niks en niemand is meer hetzelfde.
Alles is stil.
Ik weet wat er gaat gebeuren.
“De Foekies komen”, zegt een galmende stem.
Ik zweef zoals altijd omhoog. Ik kan mij niet meer bewegen. Ik zweef door het warenhuis, eerst door de platenzaak waar gekleurde ballen liggen en langs de InterToys.
Ik ben altijd blij met de LEGO die mijn ouders geven, maar ik geef nooit aan wat ik écht wil hebben. Ze denken hoe duurder hoe beter. Maar ik heb de goedkopere nodig om mijn Clone en Droid legers uit te breiden.
Ik zweef de roltrap op.
Langs de klerenzaak en door de IKEA beland ik op het dak. Ik zweef via de bijkeuken de achtertuin in. Er staan fakkels, maar ze staan uit. Laatst stonden ze wel aan. Toen heb ik mijn knuffel Pietertje de Poes in verschroeid. Ik kwam te dicht in de buurt. Vuur is gieriger dan ik had ingeschat.
Mijn moeder vertelde altijd verhalen over de poes met de lampjesogen. Zijn ogen moeten me denken aan de ogen van de Foekies.
“De Foekies komen.”
Ik kijk de nachtelijke lucht in. Overal zijn sterren te zien. Meer dan er horen te zijn. Het zijn niet alleen sterren die ik zie. Ze komen dichter en dichterbij.
“De Foekies zijn er.”, galmt er door de lucht en in mijn oren.
De stilte wordt oorverdovend.
Overal in de hemel zie ik kleine lichaampjes verschijnen.
Met lichtgevende ogen en onbeweeglijke handjes en voetjes.
Ze komen van de Maan en van Mars.
Ze komen voor mij.