Drie korte verhalen
Als kind was ik al bezig met verhalen. Dit deed ik alleen, maar ook met anderen. Terwijl ik thuis speelde met LEGO, tekende in mijn tekenboek, met mijn moeder wandelde door het Asserbos, met vrienden in het bos speelde en ga zo maar door. Al met al heeft dit de behoefte bij mij achtergelaten dat verhalen beleefd moeten worden: in het schrijven én het lezen. Mijn verhalen zijn daarom vaak gebaseerd op daadwerkelijke ervaringen die ik heb gehad, waarop ik deze ervaring probeer over te brengen op de lezer (vrijwel altijd gedramatiseerd dan wel gefictionaliseerd). Deze drie verhalen, op volgorde uit mei 2024 (Het gezellige gezinnetje), oktober 2024 (Het altaar) en april 2026 (The Devil in the Details), laten dit naar mijn idee goed zien. Dan rest misschien de vraag: waarom deze drie en waarom nu? Deze drie verhalen laten, los van de variatie in talen, mooi zien hoe mijn schrijfstijl is veranderd en ontwikkeld (voornamelijk wat betreft spanning). Daarbij ben ik blij met The Devil in the Details en wou dit verhaal graag delen, maar aangezien het nogal kort is besloot ik twee andere korte verhalen toe te voegen waar ik ook best blij mee ben. Hiervoor heb ik de twee verhalen uit 2024 ietwat aangepast, maar nog steeds in mijn oude (maar zeker niet meer vertrouwde) schrijfstijl gelaten.

Het gezellige gezinnetje (2024) door Arthur Hovenkamp
De wandelaar wandelt, zoals de wandelaar doet, door bossen, over velden en langs sloten. Over de brug, over de sloot, zitten mensen op een bankje. Het gezelschap bestaat uit grootmoeder, moeder en kind.

Het gezinnetje heeft een gezellig zondags uitje. Ze zitten op hun kleedje, op het bankje, met hun kussentjes, tasjes, bekertjes en bakjes allemaal met schattige bloemetjes versierd.

Gezellig zit het gezelschap bij de sloot, waarop de wandelaar van de brug afstapt met het besluit ze te begroeten: “Hallo!”. Volwassen gezichten glimlachen glazig, grootmoeder en moeder kijken recht door de wandelaar heen, een kinderlijke blik kijkt wel desalniettemin schichtig weg.

Plots klinkt er een deuntje uit de mobieltjes van oma en mama: “Er komt een regenbuitje aan!”. Snel gaan de met bloemetjes versierde regenjasjes aan. Gelukkig hadden ze hun laarsjes met leuke stipjes meegenomen. Want de regendruppeltjes zullen snel gaan vallen.

De wandelaar loopt verder, voorbij de bank bij de sloot zonder donkere wolken te zien, zonder regen te zien vallen.

Het altaar (2024) door Arthur Hovenkamp
De wandelaar loopt, zoals de wandelaar doet, langs de grafheuvel. De zon begint onder te gaan, waarop de wandelaar moet denken aan een sensatie van eerder.

De wandelaar liep, eerder op dezelfde plek, een valk tegen het lijf. Het was naar beneden gevallen tijdens een gevecht met een buizerd. Het eens trotse dier was aangevreten, dood lag het op het altaar. De wandelaar besloot toen de valk te eren door een veer mee te nemen.

De wandelaar loopt door, bijna voorbij de grafheuvel. Het begint te waaien, op deze plek van de dood, en de wandelaar moet aan een andere sensatie van eerder denken.

De wandelaar liep eens een mees tegen het lijf. Jong was het nestgevallen kleine diertje, levend lag het op het altaar. Met gebroken pootjes. De mees zal hoe dan ook gestorven zijn, maar de wandelaar besloot te vertrouwen op het leven en liet het beestje met rust

De wandelaar loopt door, nu voorbij de grafheuvel. De ondergaande zon en de opzettende wind hebben kou en mist aangezet en de wandelaar beleeft nog een sensatie. De dag maakt plaat voor de nacht. De grafheuvel, het altaar, heeft zich voorbereid op het nemen van een leven en het geven van een dood.

De wandelaar is de grafheuvel voorbijgelopen.

The Devil in the Details (2026) by Arthur Hovenkamp
I awoke within my tent on a clear yet windy summer morning. My eyes were still slumbering, having only just exited the realm of dreams, the light was too bright. The sun had just risen, casting rays of sunlight unto the canvas of my tent. The sunlight went right through the beige surface, leaving miniscule fluctuations of colour on the seemingly monotonous whole, with the thin lines of stitchwork being the only differentiation.

The fluctuations looked like tiny twinkling droplets of dew, diffracting the sunlight in all directions. However, there was no dew on the tent. Due to the wind it would not have been able to settle, and even if it did the gusts of wind would have blasted the droplets apart, with the stragglers being made quick work of by the sun.

Around the holes of stitching, where the strings went through, there were visibly larger yet the same kind of fluctuations. They were the brightest, with the smaller the holes were the closer they were to beige of the canvas itself. Although, the entire canvas was made up out of holes to begin with, as otherwise it would have enshrouded me in darkness. From the fabric of the canvas to the strings of the stitching, from the fibres of the fabric to the threads of the strings, from the particles the fibres and threads were made from to even my own body. Everything mostly consists of void. Everything one can know is merely a fraction of the unknowable emptiness, what remains is an absolute void of things and knowledge.

Something seemed to draw me into this void. It was not per se the presence, but the absence of a presence, that drew me. As absence within something may not have substance, yet it always has form. This entity of absence seemed to be looking at me, as its form became clear to me. It was a face, and it was grinning at me, evoking me with a sense of dread. The Devil is in the details!