Het herenhuis I (2026) van Arthur Hovenkamp
Ik sta voor de deur van het herenhuis van meneer Alius. Ik kwam hem tegen tijdens een wandeling langs de Vaart, nadat ik mijn auto bij de Kolk had geparkeerd. Ik was onderweg om via een brug van de noordzijde naar de zuidzijde van de Vaart te gaan om een tweedehandswinkel in een zijstraat te bezoeken toen ik op het stoplicht moest wachten en hem ontmoette. Hij droeg een pak zoals men ze kent uit het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, met cilinderhoed, opstaande kraag, kravat en rokjas. Ik besloot hem aan te spreken. Hij bleek meneer Alius te heten, kunsthandelaar van beroep, woonachtig aan de noordzijde van de Vaart. Ik stelde mezelf voor als schrijver en liefhebber van de Belle Époque, hintend op zijn kledij, waarop hij begon over zijn specialisme in de werken van de Symbolisten en Prerafaëlieten. Hij nodigde mij uit om binnenkort bij hem op bezoek te komen, bij zijn herenhuis aan de noordzijde van de Vaart.
Ik liep toen door naar de tweedehandswinkel, de uitnodiging genoteerd te hebben. Het bezoek aan de winkel was teleurstellend, ook al heeft de zoektocht tussen oude spullen en de wandeling mij tot welgezochte rust gebracht. Toch heb ik een neoklassieke spiegel gevonden, gemaakt aan het einde van de negentiende eeuw. Deze spiegel heb ik mee als cadeau, nu ik voor de deur van het herenhuis van meneer Alius sta.
Ik trek aan de bel en hoor het brons gonzen. Het huis klinkt inderdaad als het huis van een kunsthandelaar, met het canvas dat het gonzen van de bel snel doet uitdoven. Een hoge metallieke trilling blijft aanzetten als de deur opengaat. Een in een zijden ochtendjas geklede heer doet de deur open. Het is geen bediende, wat ik ergens had verwacht, maar meneer Alius zelf die de deur opendoet.
“Goedemiddag meneer Alius, hoe maakt u het?”
“Meneer Alius? Die is niet thuis!”
“Oh, weet u niet meer wie ik ben? We hadden elkaar een aantal dagen geleden ontmoet bij het stoplicht op de brug hiernaast.”
“Oh, mijn heer de schrijver, u bent het! Kom snel binnen.”
“Dank u wel.”
Ik stap het herenhuis binnen, het ziet er precies uit zoals ik verwacht had. Niet alleen door de vele kunstwerken en het antieke meubilair, maar ook door de achterstalligheid. Meneer Alius is een warrig man, zoals mij al duidelijk was geworden tijdens onze ontmoeting. Het huis oogt met de dikke laag stof en de gemêleerde geur van wierook, parfum en vernis eveneens warrig, ongeacht de elegante vertoning van de heer en zijn huis.
“Bedankt dat ik op bezoek mag komen, ik heb een kleinigheidje voor u meengenomen.”
Ik overhandig hem de spiegel, verpakt in lichtbruin cadeaupapier. Hij pakt het onhandig aan, het valt nog net niet uit zijn handen.
“Ach, bedankt, meneer de schrijver, dat had u niet hoeven doen! Ik ben benieuwd wat erin zit! Vast een schilderij, nietwaar?”
“Maakt u het gerust alvast open.”
Hij zet de spiegel op de kop neer op een bijzettafeltje, het rolt heen en weer op de ronde bovenkant. In het scheuren laat hij vingerstreken achter op het spiegeloppervlak. Eenmaal van het papieren omhulsel bevrijd keert hij de spiegel om en bekijkt zichzelf, poetsend met zijn zijden mouwen.
“Geen schilderij, maar een plaatje is het zeker! Enig! Gemaakt door Liberty & Co. in Londen met een lijst van mahoniehout, nietwaar? Echt een plaatje! De spiegel zelf natuurlijk! Nogmaals, dank u wel!”
Hij begint lachend om zijn eigen grap een schilderij precies boven het bijzettafeltje los te maken en geeft het mij in handen. Hij hangt de spiegel in plaats daarvan op, terwijl het onverkleurde behang dat achter het schilderij zat net niet goed wordt opgevuld door de nieuwe bewoner van het oppervlak.
“Zo, dat staat goed! U mag het schilderij dat u in handen heeft wel houden. Ik heb er toch geen plaats voor. Het is een relatief onbekend werk van Gustave Moreau, zelf gekocht in Parijs.”
“Dat is vriendelijk van u, maar ik moet het weigeren.”
“Geen denken aan, mijn heer de schrijver! Anders gaat u maar rechtsomkeert de deur weer uit!”
Ik zet verslagen het schilderij naast de voordeur op de grond. Ik ben er blij mee, maar dat het in mijn bezit is gekomen en de manier waarop verbaasd mij niettemin. De woede van meneer Alius beangstigde mij. Ik zie hoe hij, zijn kalmte hervonden te hebben, door de hal naar de woonkamer loopt. Ik richt nog één blik op het kunstwerk. Het lijkt inderdaad een werk van Moreau te zijn, alhoewel het mij niet bekend voorkomt. Op het schilderij is een hemeltafereel in de wolken te zien, vooraan staat Sint Michaël met zijn vlammende zwaard net buiten de hemelpoorten, terwijl hij net daarvoor Satan van de wolken heeft gestoten. De engel valt met een vlammende lengte door de nachtelijke lucht.
Ik loop achter meneer Alius aan. Hij slaat rechtsaf de woonkamer binnen, maar blijft in de deuropening staan terwijl ik om me heen kijk in de hal en het trappenhuis links van me. Overal hangen kunstwerken, schilderijen en ingelijste tekening en prenten, stuk voor stuk herkenbare kunstenaars, stuk voor stuk onbekende werken. Naast nog een aantal van Gustave Moreau herken ik onder meer de stijl van Richard Roland Holst, Jan Toorop, Lawrence Alma-Tadema, Dante Gabriel Rossetti, William Morris en Maurice Denis, maar ik herken geen van de specifieke werken.
“Hoe bent u aan al deze werken gekomen, als ik vragen mag?”
“Ach, ik verzamel al jaren een beetje hier en een beetje daar, vroeger vooral buiten Nederland. Ik verkoop vrij weinig, de werken die ik in het verleden heb verkocht hebben meer dan genoeg geld opgeleverd, maar afstand doen doet mij pijn. Ik omring mij graag met bekende gezichten, als u mij begrijpt.”
“Dat begrijp ik zeker, alleen begrijp ik niet zo goed waarom ik geen van uw werken herken.”
“Ik heb geluk gehad, laten we dat zeggen. Ja, dat. Ik ben meermaals op het juiste moment op de juist plaats geweest.”
Het in twijfel trekken van de authenticiteit van de werken lijkt logisch, maar dat is het juist niet. Meneer Alius interesseert mij, eveneens hoe hij woont. Twijfel zou onder doen voor de ervaring, voor de eenheid van compositie dat blijkt uit de excentriekeling in zijn decadente omgeving.
We lopen de woonkamer binnen, de patchoeli- en mirregeur van wierook bedwelmd me. Twee klassieke banken staan tegenover elkaar, daartussen staat een salontafel. Tegen de muur, achter de salontafel, staat een grote fauteuil, met ernstige sporen van gebruik, met daarnaast een open haard en een klein bijzettafeltje dat bedolven ligt onder stapels met boeken. De salontafel en de banken zelf, alhoewel bedekt onder een laag stof, zien er aangenaam uit. Aan de muren hangen eveneens schilderijen, maar minder dan in de hal, met meer van het bloemmotiefbehang zichtbaar. Ook staan er een flink aantal boekenkasten, beladen met stapels boeken, vooral rijen naslagwerken die niet op volgorde liggen en delen missen. Op de grond liggen allerlei tapijten, met patronen zichtbaar zelfs door de dichte laag stof heen.
“Ah, u vindt de tapijten mooi, nietwaar? Zie deze hier! Dit is een berbertapijt van de Amazigh uit het Atlasgebergte. Oh, en deze. Het lijkt de Perzische stijl, maar eigenlijk is het Mogols, gemaakt van kasjmierwol en zijde. Zo kan ik wel even doorgaan, maar neemt u gerust plaats, dan maak ik thee! U wilt thee?”
Voordat ik antwoord kan geven is meneer Alius verdwenen. Ik besluit op de bank met uitzicht op de hal te gaan zitten. Rechts van mij zie ik een groot raam, door de groezeligheid van de wierookwalmen, en de sporen die het heeft nagelaten op alle oppervlakten, kan ik amper naar buiten kijken. Toch vallen er een aantal stroken licht naar binnen. Het is vrij donker, maar op de salontafel staat een kandelaar met kaarsen, net zoals er een aantal aan de muur hangen. Onder elke kandelaar is een berg kaarsvet te zien. Ik pak een opengeslagen boek van het bijzettafeltje dat met de bladzijden omlaag ligt. Het is een vertaling van een bundeling korte verhalen van Leo Tolstoj, opengeslagen bij het verhaal Waar mensen van leven. Ik blader wat door het muffige boekje heen, met mijn wijsvinger op de geopende bladzijde, als ik gerinkel uit de hal hoor komen. Snel leg ik het boekje terug en zie hoe meneer Alius met een dienblad met daarop een theepot de kamer binnen komt lopen. Hij zet de theepot neer en zet er een zilveren kannetje melk en een pot suiker naast, beide met meer donkerpatina dan zilverkleur. Uit een servieskast haalt meneer Alius twee kopjes met onderzetters, gemaakt van Chinees porselein, waarna hij de twee kopjes inschenkt, ongevraagd suiker en melk toevoegt, en neerploft op de fauteuil. Hij doet zijn benen over elkaar heen, zijn schouder op de leuning met zijn kin in zijn hand en in zijn andere hand het theekopje.
“Assamthee, hopelijk houdt u ervan! Ik heb helaas geen citroen, maar wel zoveel suiker en melk als u wilt!”
Meneer Alius probeert een aantal slokken thee te nemen, met zijn theekopje in zijn linkerhand terwijl hij duidelijk rechtshandig is, waarna hij het neerzet op het bijzettafeltje, bovenop de stapel boeken. Ik drink ook van de thee, het heeft de smaak van elke zwarte thee, zoals Earl Grey, maar puurder en robuuster. We zijn beiden stil, meneer Alius lacht. Ik besluit hem een vraag te stellen.